Tijdverdrijf.


Wanneer de ochtend naadloos overgaat in middag en de avond onmerkbaar verglijdt in de nacht lijken dagen eindeloos. Het lot van thuiszittenden die deze uren moeten zien door te komen.
Hobby’s en media zijn de meest voor de hand liggende middelen daartoe, evenals iPad, laptop  en alle andere vormen van elektronica. Goed spul, maar er is nog steeds een onovertroffen tijdsinvulling die al heel lang dienst doet:
een boek.
Een doodgewoon boek van papier met een kaft waaraan je al ’n beetje kunt aflezen of het een serieuze verhandeling dan wel een luchtig verhaal of juist roerende tragedie bevat; altijd mag je rekenen op het doorbreken van verveling; welbeschouwd lijkt het boek juist in het leven te zijn geroepen om de tijd door te komen. Als lering en/of vermaak.
Denk je eens in, ’s morgens verdiept te zijn in interessante historie, in de namiddag overgaand op  een vlammend liefdesverhaal en de avond door te brengen in zinderende hoogspanning met terroristen, split personalities en andere gruwelen. Kan iemand zich een betere dagvulling wensen? Bijkomend voordeel is dat, door het genot van eetleespret, maaltijden  genuttigd worden met extra animo. Mooi meegenomen. Bovendien bouwt het leesgenot zich elke morgen opnieuw op bij het ontwaken, de wetenschap dat het boek reeds opengeslagen klaarligt en de cliffhanger popelt om te worden ontrafeld, voorspelt een verrukkelijke verwachting.

Mocht er geen boek naar tevredenheid voorhanden zijn is er nog een andere mogelijkheid:
schrijf er zelf een. Legio zijn de hulpmiddelen. Google op ‘schrijven’ (hoofdletters zijn niet eens nodig) en je hebt het maar voor het kiezen.
De kans om een goed/groot/veelgelezen/geliefd/rijk/beroemd auteur te worden is gering maar het plezier tijdens de inspanning weegt daar ruimschoots tegenop. Zoveel dat de dagen verstrijken zonder dat men zich verveelt.
Al de fantasie die moet verwoord, de herinneringen die moeten worden geschreven, een mens zou tijd te kort komen.

© Bertie

Advertenties

Kinderlijk lezen

Al jong leerde ik lezen.
Dat is mooi natuurlijk;  helaas schortte er  een en ander aan deze vroeg-’wijsheid’.  Er waren tal van woorden die ik niet begreep of waar ik de  klemtoon verkeerd legde.
Dientengevolge zag ik geen verband tussen, bijvoorbeeld, de bretèls van mijn vader en de brétels (mijn uitspraak) die Goofy aan zijn broek had.  Hetzelfde gold voor enthousiasme en het woord wat ik letterlijk las: ent-hou-si-as-me. Hilarisch werd het toen ik een hardopleesbeurt  kreeg in de tweede klas Lagere School.  Nog steeds verkeerde accenten leggend, begon ik met een luid  ‘Hoe Jezus pre-dìkte.’ Toen de klasgenootjes uitgegierd waren begreep ik pas wat er bedoeld werd.
Wat ik ook een probleem vond waren een paar woorden uit ons dialect. We mochten thuis niet té plat praten (Zaans) maar je krijgt er toch veel van mee, vandaar dat ik als zesjarige niet het verschil wist tussen kenne, kanne en kunne. En tussen wille en wouwe waarbij ik ook nog twijfelde of het wouwe of woude moest zijn. Er kwamen nog meer problemen bij.
Was het  elastiek of helastiek? Heien of haien? Mijn of main? Heus of huis? Purmerend of permanent? Ouwe oer of ouwe hoer?   (dit laatste las ik nergens maar vond het een stoer scheldwoord).  Kortom, ik piekerde me suf.
Achteraf had ik natuurlijk meer vragen moeten stellen maar op dat idee kwam ik nooit, ik zocht het zelf wel uit. Met bovenstaand gevolg.
Maar het kwam goed, tegenwoordig begrijp ik de meeste boeken die ik lees.