Hoe wordt iemand dakloos?


In dit geval was het simpel: het dak waaide er af. Nooit meer teruggevonden.
Storm draaide de straat in, loerde van links naar rechts en begaf zich naar mijn huis. Hij wroette wat aan de goten en whoemmm! daar vloog de boel de lucht in. Met dakkapellen, windhaan, schoorsteen en al.  Het was zielig voor de vogels die onder de pannen nestelden, nerveus staken ze hun snavels buiten het stro maar Storm was onverbiddelijk.  Binnenblijven!

Nou, ja, daar zat ik, weliswaar onder een plafond maar zonder dak.
Ik wendde me tot de gemeente en deed mijn verhaal.  Aanvankelijk geloofde men mij niet maar na een uitgebreide verificatie  – groepsgewijs want alle ambtenaren wilden dit met eigen ogen controleren – gaven ze me het advies het ministerie van Volkshuisvesting te benaderen.
Ook daar geloofde men mij niet; na een nieuwe contrôleronde echter kwamen ze tot de volgende conclusie: dit is een geval voor  voor klimatologen.
Ongeloof enzovoorts en verwijzing naar het KNMI.  Vogelbescherming. WNF. Vandaar naar de aannemer die jaren geleden het dak gebouwd had en allang niet meer leefde, zijn opvolgers schopten me de deur uit en tenslotte stond ik weer op de stoep van het stadhuis. Niet dat ik zong.

Uiteindelijk kwam de gemeente me tegemoet met honderd euro, daar mag ik een bontgevoerde parasol voor kopen tegen de koude nachtlucht want je begrijpt: het dak is weg en een hardboardplafonnetje is niet voldoende;  mijn bed staat er nog. En de wasbak, po, bijbel en een stapel natuurblaadjes.  En dat moet dan allemaal onder die parasol, tot nader beraad.  Tsss, hoe verzinnen ze het!
Weet je wat ik deed?  Het bed en toebehoren naar beneden gehaald en voor de verwarming neergezet, het geld besteedde ik aan een bontgevoerde pyjama. Een windvrije.
Je weet nooit zeker of Storm terugkomt.

Advertenties

Noorderlicht


Vanavond kunt U misschien het Noorderlicht zien, met een kans van 60 procent’  aldus een ronkend bericht in mijn mailbox .
Tegen beter weten in (dit is niet de eerste keer dat ik ergens in trap)  posteerde ik me op het dak. Het is niet bijzonder hoog maar dat hinderde niet, hogere bouwsels zijn hier niet veel.
Twee uren heb ik daar gezeten, gissend naar elk afwijkend schijnsel; het enige wat ik in noordelijke richting waarnam waren autolampen en straatlantarens.
Af en toe veranderde ik van houding – het idee dat ik een lichtstraaltje zou missen was ergerlijk— helaas, het bracht geen noordse stralen. Wat ik wel merkte was dat de schoorsteen  ijskoud en kouder werd en het gehang over de nok met links en rechts een been was ook niet alles.
Net toen ik wilde stoppen en afdalen gloeide er nog wat op, opgewonden nam ik de camera en richtte….   op een buurman die hetzelfde idee had als ik en er een sigaretje bij opstak.
Jaloers zwaaide ik naar hem.
Hij had tenminste warmte gevoeld.