Lui – of de kunst van het opvoeden

Lui, een woord dat ik vroeger hoorde, waarvan ik de betekenis kende maar niet begreep waarom het bij mij paste.

Op een van de lagere schoolrapporten, vierde klas (nu groep 6)  staat de aantekening:  Ze is nogal lui. Stomverbaasd was ik; thuisgekomen aanhoorde ik mijn moeders standje en schudde mijn vader zijn hoofd maar wist ik nog steeds niet waarom ik lui genoemd werd. Het bleek dat ik, blijkbaar uit verveling, wegdroomde in de klas en dan niet bij de les was. Dus lui.
Daar kwam ook nog iets anders bij. Met duurlopen bij gymnastieklessen werd ik na een halve ronde al moe en stopte.  Beetje hijgend.  Ook dat werd als lui gezien, ‘Vooruit, doorlopen!’  klonk het.
Uiteraard was ik verontwaardigd maar wat had een kind nou te zeggen in de jaren vijftig/zestig. Niet veel of nog minder.

Pas toen een van mijn eigen kinderen astmatisch bleek en we met de longarts in gesprek raakten, kwam het besef dat ik dit zelf ook was, zij het in veel mindere mate.
De ademnood bij gymles, de constante loopneus,  de moeite bij een fietstocht in tegenwind, allemaal kleine maar typische verschijnselen voor luchtwegenmankementen, aldus de specialist.

Het was niet ernstig maar ik vroeg me af waarom er zo keihard werd gereageerd door veel opvoeders. Het mag afgedaan worden als ‘zo was het vroeger nu eenmaal en we zijn toch groot geworden’,  het was oneerlijk. Een kind kon niet zomaar even in de ziektewet duiken.
Dit was een akkefietje maar er waren ook andere, ernstiger zaken; denk alleen al aan het kindermisbruik dat de laatste jaren boven water kwam. Veel ouders hielden de klachten voor aanstellerij.
Natuurlijk waren niet alle ouders  en opvoeders zo en de onze waren best lief maar het was, in mijn herinnering, algemeen gebruik om op voorhand klagende kinderen de mond te snoeren: niet zeuren, het zal je eigen schuld wel zijn, schiet op en meer van dat.
Een kind moest onderhand halfdood voor hun voeten liggen wilden ze serieus genomen worden.
Toegegeven, later sloeg men ’n beetje door naar de andere kant; toch is dat nog altijd beter dan klachten en klachtjes te negeren.
Voor de duidelijkheid: ik ben inderdaad heel groot geworden en heb weinig astmatische verschijnselen, dankzij de pufjes die een dokter me voorschreef. Hij geloofde me.
Advertenties

IJdel

Er was eens een arme narciste met klachten.
‘Het is zo lastig,’ vertelde zij  de huisarts, ‘almaar je nek te moeten verdraaien, in etalageruiten, spiegeldeuren, grote zonnebrillenglazen, schermen van televisie en laptop en tablet, overal moet ik mezelf bewonderen; links en rechts heb ik een zere nek en mijn ogen gaan soms uit eigen beweging heen en weer, weet U wel hoeveel afbreuk dat doet aan mijn schoonheid…. ‘
De huisarts  bekeek haar nek en zag dat haar ogen inderdaad vreemde bewegingen maakten, haastig  schoten ze naar de ooghoeken en terug.
‘Hm, tja, een psychiater kan U misschien helpen.’
‘Oh god nee,’ riep de narciste, ‘die neemt me mijn grootste genot af. Help me liever met mijn nek en ogen.’
Nadenkend bladerde de huisarts wat in zijn papieren. ‘Heeft U,’ vroeg hij,  ‘wel eens gedacht aan een carrière bij de televisie?’
‘Ja hoor, maar ik kan niet acteren, niet presenteren, zingen of zelfs maar meedoen met spelletjes. Het enige wat ik kan is mezelf bewonderen.’  Intussen keek ze aandachtig naar zijn ogen waarin ze haar gezicht zag, piepklein maar zo mooi dat ze ervan zuchtte.
‘Dat is ook niet nodig, U hoeft alleen maar te zijn en af en toe een woordje na te zeggen.’ Hij schreef iets op een blaadje. ‘Mevrouw, belt U dit nummer. Deze man kan U opleiden tot tv-babe. Veel succes!’
Zij ging en belde.  Ze mocht komen voor een auditie. Ze deed enorm haar best en bekeek zich met grote aandacht op alle monitoren, de ernst spatte uit haar blikken waardoor ze imponeerde en mocht blijven.
Ze werd een groot succes. Nu hoefde ze niet meer haar nek te verdraaien, haar beeltenis verscheen op alle plekken waar ze keek, ook haar ogen pasten zich aan.
Ze werd een rijke narciste met nog maar één klacht:  ‘Wat als ik oud word?’

© Bertie

Gedichtje

Dit wordt geen gedichtenweblog maar deze wil ik, als uitzondering,  plaatsen.

Versje van onvermogen
 
Herhaaldelijk die strijd
met pen – papier
of toetsenbord
ik denk
en denk
tot ik vertrek
-door ergernis geleid-
naar diepere gedachten.
Introspectie
noem ik dat.
Spijtig,
deze klachten
schenken niets
ik dwaal slechts in hiaten.
Net zo lief neem ik mijn fiets en

zoek in lege straten.

© Bertie