Ranonkel van Jacques Hamelink


Eindelijk uitgelezen, dit boek.
Niet nieuw, uit 1969.
Een erg lang verhaal over een ranonkel die doorgroeit tot hij de stad overwoekert als een bos, de inwoners gaan daar naar leven.
De natuur die zich opdringt en de mens die zich aanpast;  de stad versteent tenslotte. Alle eigenschappen die beiden bezitten, vooral kwalijke, komen voorbij, met name het laatste hoofdstuk is één lange beschrijving van een overvolle stad en kerk, geleid door van een paar bestiale figuren. Bijna karikaturaal en inderdaad denk je aan Jeroen Bosch.
Knap om in telkens wisselende bewoordingen de voortgang van een woekerende ranonkel wordt beschreven.
Er zijn diverse recensies, niet iedereen is positief.
Begrippen als magisch-realisme, Jeroen Boschachtig, zelfs burlesk kwam langs.

Bijkomend weetje:
De illustratie op de voorpagina bestaat echt, het is het Palais Idéal in Hauterives, Frankrijk.
Wikipedia: Gebouwd door Ferdinand Cheval, een postbode. Hij wijdde 33 jaar van zijn leven aan de bouw van zijn paleis. Het verhaal gaat dat hij op een dag struikelde over een steen met een opmerkelijke vorm. Dit inspireerde hem en hij keerde de volgende dag terug naar dezelfde plek om meer stenen te verzamelen. In 33 jaar tijd verzamelde hij tijdens zijn postroute stenen en in de nacht bouwde hij bij het licht van een olielamp een wonderlijk paleis. In 1969, toevallig (?) het jaar dat Ranonkel van Hamelink verscheen, werd het paleis uitgeroepen tot nationaal monument.

Advertenties

Macramé


Waar ik het las weet ik niet meer maar er stond ergens dat macramé weer in de mode komt. Een handwerksoort, of knooptechniek, of wat dan ook, het staat hier→  http://www.handwerkles.nl/
Laten we hopen dat het niet waar is; de wrochtsels die wij voorbij zagen komen in de jaren zeventig waren veelal vreselijk lelijk, traumatisch bijna.
Overal hingen gaterige versiersels aan de muren, voor ramen, in overlopen, aan lampen. Bij elk feestje lag er wel ergens een slap aanvoelend cadeautje, vanzelfsprekend anoniem neergelegd door iemand die er vanaf wilde. Het zoveelste eigen werk. Vluchten kon niet meer.
Hoe kwamen die dingen zo beroerd?
Wel, de macramémode die ik me herinner viel toevallig tegelijkertijd met een hang-naar-de-natuur-periode. Dat leverde niet alleen wonderlijke stinkwollen vesten en dito sokken (alsof het schaap direct op de pennen was gezet) ook haken (naalden nr 10), punniken en ander huisvlijt  bleek voor deze trend geschikt. Macramé scheen het populairste te zijn, daar kon men het groftse garen en het meest vlassigste touw voor gebruiken. Alle restjes uit de schuur mochten meedoen.  En niet iedereen had voldoende smaak om de prullen weg te gooien.
Zodoende kwam mijn moeder op mijn verjaardag met een rafelig gordijn, knoperig en trekkend naar alle kanten, meer een sleetse jutezak.  Er was een ijzeren kleerhanger in gestoken , kon zó voor het raam. Moordzuchtig keek ik haar aan. ‘Kind, ik heb het ook maar gekregen, op de bejaardenhandwerkmiddag, ik dacht dat jij, omdat je die andere stukken bent kwijtgeraakt …’ zei ze zielig.
Het kwam goed.
Kort daarop liep de mode op zijn einde.
Kijk, er waren echt wel goedgemaakte dingetjes bij maar ik kwam ze niet tegen. Wel het volgende zinnetje, ik weet niet meer van wie.
‘Op iedere plee een macramé.’

De natuur is een kei!

De nieuwe baby heeft de grijze ogen en het bruine haar van mamma, evenals de kleine oortjes .
In de rest van het hoofdje, nek en hals zie je duidelijk pappa.
De rug en schoudertjes verraden opa één, terwijl de brede handjes en voetjes naar opa twee wijzen.
Oma een en twee manifesteren zich respectievelijk in de stevige ledematen en het bolbuikige rompje.
De overige voorvaderen houden zich schuil in de organen en proberen de dna-touwtjes stevig in handen te houden voor het geval de nieuwe combinatie op hol slaat.
Knap dat de natuur dit keer op keer op keer voor elkaar krijgt.