Oppervlakkig buurtgesprekje


De kinderen van een gezin dat een paar huizen verderop woont liepen aan de hand van een vrouw die ik niet kende. Niettemin knikte ze vriendelijk.

Een week later zag ik haar de fiets opstappen met -nog steeds – de kinderen.

Ik voelde me verplicht, stopte en vroeg: ‘Alles goed met de buurvrouw? Ze is toch niet ziek?’
De onbekende  antwoordde:Ik bèn de buurvrouw.’

Eh… wat?’

Ze deed de zonnebril af en toen herkende ik haar. Ze had de haren geverfd in een totaal andere kleur en er een nieuwe coupe in gemaakt waardoor ze een vreemde leek. Voor mij tenminste.

We lachten maar wat.
Zo gaat dat.

Advertenties

Wraak? Nee!


Pas weer een berichtje op fb gelezen over een paar lammelingen die zwanen mishandelden en dat op film zetten. Afschuwelijk, zowel  mishandeling als  opname. Is het een vorm van narcisme, zoeken naar sensatie of grenzen opzoeken? Ik weet het niet maar beide daden zijn te pervers om nog normaal te noemen. De daders zijn ziek, ook als het een eenmalige handeling is zie ik het als ziekte, latent aanwezig waardoor je bang kunt zijn voor herhaling.
Iets anders is het kwaadaardige gehalte van sommige reacties.
Natuurlijk is je eerste gedachte: ze moesten het tuig zelf eens onderhanden nemen! Maar je weet dat het een opwelling is en dat je liever de gewone rechtsgang zou zien.
Anderen lijken het wèl ernstig te nemen. In mijn omgeving ken ik mensen die de daders serieus zouden willen verzuipen en/of levend begraven dan wel ophangen, villen, eventueel aan flarden schieten. Ze krijgen nog bijval ook.
Het klinkt sterk, misschien zelfs stoer voor enkelen. Wraak is tenslotte een oermenselijke emotie die niet valt weg te denken. Daarom denken bepaalde mensen dat het oog-om-oog-principe de beste straf zou zijn. Ze vragen zich niet af hoe de uitvoering zou moeten zijn, wie voor beul wil spelen en vooral: tot hoever kan een rechter gaan?
Dan herinnerde ik me dit:
–in mijn pubertijd schrokken we op van een heftige aanranding.
Uiteraard riepen we en bloc dat we de viezerik wel eens even zouden castreren als we hem te pakken kregen.
Mijn moeder begreep de verontwaardiging maar verbood de grove uitlatingen: jullie weten niet wat je zegt, beweerde ze, dat maakt alles nog erger.
Kort daarop luisterde ik naar een man die haarfijn uit de doeken deed hoe híj zou straffen. ‘Met een bot mesje…’ Je wilt de rest niet weten; erger was dat de man zichtbaar genoot van zijn eigen wraakidee.
Toen begreep ik dat hij geen haar beter was dan de dader en snapte ik ook mijn moeders woorden.